Topoverleg: einde kennismonopoly van bewindslieden

Topoverleg beëindigt kennismonopolie van bewindslieden
Regering verkeert in impasse
De Kamer is kreupel

Inleiding

De Nederlandse Bestuurs-Top.
Op 11 januari j.l. werd door Premier Rutte en de minister van Binnenlandse Zaken overleg gevoerd met de secretarissen-generaal van alle twaalf ministeries; tezamen de facto uitmakende de ‘Nederlandse Bestuurs-Top’.
De Toeslagenaffaire en het daarmee samenhangende gedaalde vertrouwen van de burgerij in de overheid was aanleiding tot dit overleg, en bedoeld om daarvoor oplossingen te formuleren.
Een van de oplossingen bestaat uit het beëindigen van het monopolie van bewindslieden op de kennis en gegevens van de ministeries. Ook Kamerleden en de burgerij hebben daar nu recht op.

    In dit essay wordt de uitkomst van dat overleg tegen een  historische en praktische achtergrond beschouwd, en wordt tevens duidelijk gemaakt dat de decennia lange dominantie van de overheid zowel de oorzaak van de diverse schandalen, alsook de belemmering voor een structurele oplossing is.
    Inmiddels is de onthutsende verkiezingsuitslag van 15 maart door het kabinet als een mokerslag voor het gevoerde beleid c.q. voor de afwezigheid ervan, ervaren.
Uitvoering van de Stikstofkwestie wordt doorgeschoven naar de provincies die evenwel niet verder kunnen zolang Den Haag geen duidelijkheid geeft o.a. over de marges voor oplossingen.
De regering verkeert in een impasse en de vraag circuleert of het kabinet de Kerst nog haalt. Dus niet (juli 2023)
    De opheffing van het kennismonopolie is een belangrijke stap, maar met de huidige zwakke potentie van de Tweede Kamer wordt dat een stap in de diepte. De Kamer is niet geëquipeerd om serieus om te gaan met de ellende van een verwaarloosde bestuurlijke boedel.
    Bijzondere acties zijn geboden maar wie neemt het initiatief?
Herman Tjeenk Willink citeerde Albert Einstein:
‘De denk- en handelswijze die de problemen hebben veroorzaakt zijn niet geschikt voor de oplossing daarvan’.
Waarvan akte.

De schandalen en de positie van de Tweede Kamer

  1. Het Toeslagenschandaal
     De Tweede Kamer wist dat artificiële intelligentie (AI) gevaren kon opleveren bij het maken van wetten,  en had het recht, maar niet de kennis, noch ambitie, om dat recht te gebruiken om de effecten en de uitwerking van de wet en de uitvoeringsbepalingen te doorgronden.
    Met het Toeslagenschandaal tot gevolg.
  1. Het Groningse gaswinningschandaal.
     De Tweede Kamer was niet in staat om de uitwerking en effecten van de juridische verhoudingen met de NAM te doorgronden en deed evenmin voldoende moeite om inzicht te krijgen in de kansen op aardbevingen en de schadelijke gevolgen daarvan, hoewel zij kon weten dat de gaswinning diverse problemen kon opleveren op het gebied van aardbevingen en bestuurlijke verstrengelingen. Maar zij deed geen, althans onvoldoende moeite om die leemte op te vullen, met het Groningse gaswinningschandaal tot gevolg.

                    De zeven hoofdstukken van dit essay                                                   Zeven statements worden behandeld
1. Het vaste patroon van ontwikkelingen in machtsverhoudingen
 Een marktelite die met de politiek en het bestuur verstrengeld is versterkt haar positie en verhindert een evenwichtige welvaartsspreiding. Erosie van de infrastructuur leidt tot armoede, onlusten, opstanden, autocratie en erger.
2. Het evenwicht tussen Staat en Samenleving.
 Het evenwicht van de trias politica is onontbeerlijk voor de stabiliteit van de democratische rechtsstaat.
3. De status van de trias politica.
De overheid is dominant en voert een neoliberaal beleid. Decennialang werd bezuinigd op kennis en kunde bij de ministeries, uitvoeringsdiensten en de rechterlijke macht. De Tweede Kamer mist de kennis en inzet om tegenmacht te bieden en weet de sluipende uitholling van de democratische rechtsstaat niet te keren.
4. De ‘Nederlandse Top’
 De mooie bedoelingen voor overleg verbleken tegen de achtergrond van de huidige politieke praktijk van beïnvloeding. De opheffing van het kennismonopolie kan de invloed van de Vaste Kamercommissie vergroten, mits die commissie over eigen deskundigen beschikt.
5. De kreupele Kamer
Mogelijkheden tot controle op wetgeving worden gebruikt, noch ontwikkeld. Verdeeldheid in de Kamer beperkt het vormen van het nodige referentiekader om de handel en wandel van de regering te kunnen volgen. Een eigen wetenschappelijk bureau, hierna aan te duiden als “denktank”, is nodig om de Kamer in staat te stellen om voldoende tegenwicht jegens de ministeries te geven  De dominantie van de overheid bestendigt de onbalans van de trias politica en maakt de Kamer kreupel.
6. De Kamer moet versterkt worden
Naast Herman Tjeenk Willink adviseert ook onderzoeker Reijer Passchier versterking van de Kamer met een eigen denktank. Oud Kamerlid Kees Verhoeven toont zich ontzet over het gevaarzettende onbenul van de Kamer op het gebied van AI en sluit zich impliciet aan bij dit advies.
7. Conclusies en remedies
Er is een sluipende ontwikkeling van een autocratie gaande die gestuit moet worden. De Tweede Kamer moet een eigen denktank  instellen om als medewetgever en controleur volwaardig te kunnen acteren. Integere uitvoering van de beëindiging van het kennismonopolie van de ministeries is essentieel. 
Met een sterke Kamer is het regeren met een minderheidskabinet een aanvaardbare optie met specifieke voordelen.

  1.   HET VASTE PATROON VAN ONTWIKKELINGEN IN  MACHTSVERHOUDINGEN
                          Geraadpleegde schrijvers

Bas van Bavel, economisch historicus, hoogleraar Universiteit Utrecht: De onzichtbare hand (2016/2018). De toenemende invloed van de allocatie van arbeid, geld en productiemiddelen bij de marktelite veroorzaakt de onevenwichtige verdeling van de welvaart.  ‘Het aantal miljardairs neemt toe evenals het aantal daklozen’.
Acemoglu & Robinson: Wankel evenwicht. De eeuwige strijd tussen staat en samenleving (2019) Schrijvers tonen de noodzaak van het evenwicht tussen de volksvertegenwoordiging en de uitvoerende macht om bedoelde allocatie te kunnen reguleren. De overheid moet worden “geketend” om haar te houden aan haar taak wetten te maken en publieke diensten te leveren.
Schrijvers die ik eveneens van eminent belang acht voor het begrip van de toestand van onze samenleving, maar die ik alleen kort noem en parafraseer:
 Herman Tjeenk Willink:
 Bijlage bij het eindverslag van de informateur in de kabinetsformatie 2017; Groter denken, kleiner doen (2019) Kan de overheid crises aan? (2021) en Het Tij Tegen (2023).
Hij stelt: De spanningen tussen ministers en departementen zijn al oud. De Kamer moet versterkt worden om haar taak goed te kunnen invullen. Het maatschappelijk initiatief moet weer geactiveerd worden. De  “Politieke democratie” kan niet zonder de “Maatschappelijke democratie”.
Reijer Passchier
Universitair docent universiteit Leiden en hoogleraar ‘Digitalisering en de democratische rechtsstaat’ aan de Open Universiteit: Artificiële intelligentie en de rechtsstaat (2021). De Tweede Kamer heeft een eigen wetenschappelijk bureau nodig.
 Sybe Schaap:
Rechtsstaat in verval (2016) De samenleving heeft het vertrouwen in het bestuur verloren. Het verpauperde volk geeft voet aan  ‘De Sterke man’ van het populisme. Hij pretendeert zonder goede motivering de achtergebleven en tot onrust gedreven bevolking naar een ‘zonnige toekomst’ te kunnen leiden. Het resultaat van zijn optreden is een verpauperde bevolking met de dictatuur van een surveillancesamenleving.
Kees Verhoeven,
Oud-Kamerlid D66: De democratie crasht (2023) geeft breed en diep inzicht in de verzwakking van onze democratische rechtsstaat in het digitale tijdperk. Hij hekelt met name het gebrek aan kennis en inzicht bij de Tweede Kamer op het punt van AI waardoor wetten met verboden algoritmen als hamerstuk worden goedgekeurd.

Een korte schets van de structuren die de eerstgenoemde schrijvers vonden.

Historisch onderzoek van de machtsontwikkeling van de marktelite in wetgeving en bestuur, geeft inzicht in de achtergronden van de onevenwichtige verdeling van de welvaart en het welzijn.
Bas van Bavel toont in zijn studie De onzichtbare hand  (wetenschappelijke uitgave 2016; publieksuitgave 2018) het steeds terugkerende patroon van vier eeuwen waarin de eigenaren van grond, arbeid en kapitaal een marktelite vormen.
 Van Bavel vindt dit patroon in het jaar 500 in Irak en vervolgens in Noord-Italië, de lage landen bij de zee (800 jaar),  in Groot-Brittannië en tenslotte in de Verenigde Staten van Amerika.
    Hij toont de volgende ontwikkeling. Nadat de exemplarische samenleving zich heeft ontdaan van de despoot die een knellende en roofzuchtige heerschappij voerde, ontwikkelt de samenleving een open economie van handel en productie die leidt tot een brede welvaart en een breed gespreid welzijn.
     Gaandeweg vindt echter accumulatie van grond, arbeid en kapitaal plaats bij de zich gestadig vormende marktelite. Deze elite vergaart grote vermogens en verwerft daarmee -onder meer door belangenverstrengeling- een plaats in de politiek en het bestuur en maakt van haar plaats gebruik om wetten te maken die haar een onaantastbare positie geven. De elite kan zich in haar verworven positie vorstelijk verrijken maar verwaarloost daarbij de infrastructuur en de basisvoorzieningen voor een gezonde samenleving. Zij investeert haar geld niet of nauwelijks in projecten ten dienste van de welvaart en het welzijn van de bevolking.
    De komst van het neoliberalisme in de tachtiger jaren sluit aan op deze structuur en is sterk bepalend geweest voor de ontwikkelingen waar wij thans mee te maken hebben.
Deze ‘ideologie’ stelt dat het enige doel van ondernemingen is om de opbrengsten aan de aandeelhouders uit te keren. De markt is in staat zichzelf te reguleren zodat de staat als een kostenpost wordt gezien en derhalve klein moet worden gehouden.
    Het effect in de laatste decennia is dat naast de brede infrastructuur zoals zorg, onderwijs, wonen en defensie, ook wordt bezuinigd op het ambtenarenapparaat en de rechterlijke macht. De armoedekloof wordt groter en het aantal superrijken neemt jaarlijks toe, evenals het aantal daklozen. Het vertrouwen van de bevolking in de politiek en het bestuur erodeert.
 Van Bavel houdt zich als economisch onderzoeker niet bezig met de structuur van de politiek en het bestuur. De trias politica houdt hij buiten zijn gezichtsveld.
Branko Milanović
Ik verwijs naar het commentaar  op de studie van Van Bavel door Branko Milanović -auteur van Wereldwijde ongelijkheid-  hij besprak De onzichtbare hand  in Trouw op 8 januari 2018:
 “Het is een sprookje dat onze markteconomie een onmisbare voorwaarde voor welvaart en rechtsstaat is. Van Bavel toetst de abstracte beweringen van de economen genadeloos aan de historische werkelijkheid. De vrije markt, die aanvankelijk breed werd omarmd, blijkt na enige tijd de welvaartsgroei juist te remmen: nieuwe economische elites veroveren met hun rijkdom politieke en juridische macht en sluiten nieuwkomers buiten. De ongelijkheid neemt toe, investeringen nemen af.
Zo ging het tijdens de bloeitijd van de Arabische cultuur in Irak, in de Italiaanse steden ten tijde van de Renaissance, en ook in de Gouden Eeuw van Antwerpen en Amsterdam. En in onze tijd zal het niet anders zijn”.
Het lijkt overigens onwaarschijnlijk dat dit patroon, waarvan wordt gesteld dat het zich aan het einde van de negentiende eeuw in Europa vestigde, ook bij ons vier eeuwen zal duren, gegeven de huidige exponentiële versnelling van maatschappelijke processen.

Acemoglu & Robinson (A&R): Wankel evenwicht. De eeuwige strijd tussen staat en samenleving (2019).
De marktelite wordt gedreven door haar wil tot macht, en maakt gebruik van belangenverstrengeling met de politiek en de overheid om haar positie in de samenleving te vestigen en uit te breiden. De overheid moet dus “geketend” worden om haar te houden aan haar eigenlijke taken: wetten maken en publieke diensten leveren. Deze activiteit levert de dynamische patronen op die A&R beschrijven. Het gaat daarbij om drie sectoren die in het totale samenlevingspatroon zijn te onderscheiden, ieder met een eigen machtssituatie:
1. De sector van de despotische samenleving. Die samenleving leeft onder het juk van de kleptomane despoot die van nature alert is op behoud van zijn macht, en zekerheid zoekt door voortdurende uitbreiding ervan. De onderdanen zijn daarbij de dupe, zij zijn berooid en worden geknecht en misbruikt, en leven in voortdurende angst voor hun lijfelijk voortbestaan. De brede infrastructuur erodeert waardoor het welzijn hapert, en gebrek en armoede heersen. De staat heeft een praktisch volledige controle op de samenleving door geheime politie -en nu ook- digitale controle. De machthebber en zijn trawanten leven zelf in grote weelde.
2. De sector met een afwezige staat. Deze sector leeft zonder een wet en zonder een staatsmacht die de orde zou moeten handhaven, waar de overheid gecorrumpeerd is door criminele kartels en de openbare weg in handen is van gangs. De infrastructuur is vervallen, zorg en onderwijs staan op een bedroevend laag niveau, er wordt op brede schaal honger geleden. De betrekkelijke orde bestaat uit patronen van knellende voorschriften en gebruiken, en de handhaving geschiedt door intimidatie van de bevolking en met snelvuurschoten op straat.
3. De veilige corridor bevindt zich tussen de eerder genoemde sectoren. De samenleving heeft hierin de macht van de staat weten te ketenen waardoor deze is gehouden tot het maken van wetten en leveren van publieke diensten. Het is echter een smalle corridor omdat de kans groot is dat de samenleving door belangenverstrengelingen, onoplettendheid en onderlinge verdeeldheid de ketening van de overheid uit het oog verliest en de maatschappelijke en democratische infrastructurele orde laat versloffen en zodoende de corridor verlaat en in een van de aanpalende sectoren verzeild raakt.
Deze ontwikkeling wordt versneld door de invloed van populisten die zich erop toeleggen om de staatsrechtelijke en democratische instituties te beschimpen en buiten werking te stellen.
  Als de machtsverhoudingen echter in evenwicht zijn, maakt de overheid wetten in samenwerking met de burgerij, zorgt voor de handhaving daarvan en biedt publieke diensten. De rechterlijke macht is onafhankelijk en oordeelt over het gelijk of ongelijk van de staat als een burger over onrechtmatig handelen klaagt. De samenleving kan werken aan haar welvaart en de burger kan zodoende een zinvol leven leiden, zulks evenwel onder de voortdurende zorg dat de staatsrechtelijke en democratische instituties worden gehandhaafd en hun functies goed kunnen vervullen. 
   Maar de ervaring wijst uit dat de samenleving er doorgaans niet in slaagt om de staat voortdurend geketend te houden. Met het onverhoopte einde van deze ketening zal er een surveillance samenleving ontstaan waardoor herstel van de vorige situatie buitengewoon lastig zal worden. De nieuwe heerser zal zich ongetwijfeld met zijn trawanten in een “wettelijke” en digitaal beveiligde omgeving opstellen.  
A&R geven verschillende voorbeelden van de brede welvaart die zich kan ontwikkelen in een situatie van evenwicht in de trias politica. Pag. 333 t/m 346 en 533 t/m 571.

  1. HET EVENWICHT TUSSEN STAAT EN SAMENLEVING

   Het beklemmende aspect van beide studies is dat zij in combinatie aantonen dat het bezit van grond, arbeid en kapitaal aan een heerser praktisch absolute macht verleent. Montesquieu schiep in de achttiende eeuw de gedachte dat die macht zou moeten worden opgedeeld in drie onafhankelijke machten: de wetgevende, de uitvoerende en de rechterlijke macht, in hun combinatie uitmakende de Trias Politica. Deze drie machten horen, zoals eerder geschreven, in evenwicht te verkeren om de stabiliteit van de samenleving te verzekeren.
   In Nederland is de wetgevende macht (het parlement) vervlochten met de uitvoerende macht (de regering, het kabinet met ministers). De minister maakt met zijn departement de wetsvoorstellen in samenwerking met de Tweede Kamer die op haar beurt de voorstellen moet goedkeuren en de uitvoering ervan moet controleren. Deze dubbelfunctie kan alleen goed werken als de Tweede Kamer een betekenisvol aandeel heeft in het hele wetgevingsproces en goed geëquipeerd is om de uitvoering van het beleid te volgen.
   Door de ingevoerde checks-and-balances kunnen de drie machten elkaar in evenwicht houden, mits dit krachtenveld goed onderhouden wordt. De onafhankelijkheid van de rechterlijke macht is hierbij een teer punt omdat zij in het wetgevingsproces aan de kant staat en maar moet afwachten of aan haar voldoende geld, mensen en middelen worden verstrekt.
   Het krachtenveld in de trias politica is te vergelijken met de driehoeksrelatie die in bouwkundige constructies bekend is als de ‘vormvaste driehoek’ waarin ieder been van de driehoek sterk genoeg moet zijn om de driehoek vormvast te houden. Indien deze vormvastheid ontbreekt zal de constructie bezwijken.
   Voor de samenleving is het niet anders. In de trias politica moet ieder van de machten niet alleen sterk genoeg zijn om haar functie te kunnen vervullen, maar er moet ook onderling vertrouwen heersen waarin wordt gelet op de kwaliteit van ieders optreden.
Voorts moet ieder opletten en het nodige in het werk stellen om dit evenwicht en vertrouwen in stand te houden.
De huidige situatie laat zien dat er tijd, noch voldoende aandacht is om aan deze eisen te kunnen voldoen.

       3. DE  STATUS VAN DE TRIAS POLITICA
De wetgevende, de uitvoerende en de rechterlijke macht.

  1. De Uitvoerende macht; Dominante overheid
     We hebben in de laatste decennia met een dominante overheid te maken. De kabinetten-Rutte hebben de neoliberale trend, die in de tachtiger jaren werd omarmd, aangehouden. De invloed van de overheid op de markten werd beperkt, en daarmee werd sterk bezuinigd op de kennis en kunde van het hele ambtenarenapparaat. Sommige departementen werden opgeheven of samengevoegd; eigen deskundigheid werd niet onderhouden en erodeerde. Het toezicht op de uitvoering van beleid werd geprivatiseerd door dit onder te brengen bij “Autoriteiten” waardoor de Tweede Kamer op afstand kwam te staan.
       De Belastingdienst werd geconfronteerd met een omvangrijke bezuiniging die onder meer de uittocht betekende van een groot aantal zeer bekwame ambtenaren. Ook hier erosie van de infrastructuur, want men moest zich blijven behelpen met de vele verouderde computersystemen die onderling niet of nauwelijks blijken te kunnen communiceren. De Belastingdienst maakte onlangs bekend dat aan modernisering hard wordt gewerkt.            Ook op andere gebieden is het dominante beleid duidelijk.
    De Rijksinspecties hebben hun onafhankelijkheid verloren.
    De minister bepaalt het budget en de agenda en kan publicatie van rapporten met twee keer zes weken uitstellen. Ook doen zich gevallen voor waarin de ernstige aard van de inhoud van rapporten moet worden afgezwakt alvorens deze mogen worden gepubliceerd.
    Betekenisvol is ook de afschaffing van de oude regel dat het besluit tot het niet volgen van een advies van de Raad van State vergezeld moet zijn van een deugdelijke argumentatie. (‘De minister weet heus wel zelf hoe het moet’. Een dominante houding bedient zich niet zelden van arrogantie).
         Maar het meest ontstellend was het voorstel van de VVD in haar eerste versie van het laatste verkiezingsprogramma. Daarin stond (pagina 91) het voornemen om het recht te ontnemen aan stichtingen en verenigingen om uit hoofde van het algemeen belang tegen de staat te procederen. Ook werd voorgesteld dat het mogelijk moest worden gemaakt om zich op legale wijze te kunnen onttrekken aan bepalingen van internationale wetgeving ondanks dat ons land deze wetgeving had geratificeerd. (in de Urgenda-zaak.) Deze voorstellen werden snel geschrapt nadat vanuit vele hoeken protest was geuit. Daarmee is echter niet bereikt dat ook de bron van deze voorstellen is geëlimineerd.            Dat blijkt dan ook inderdaad uit de enige tijd geleden motie met het verzoek te onderzoeken of “strengere eisen kunnen worden gesteld aan de ontvankelijkheid van belangenorganisaties met een ideëel doel”. NRC 23 februari 2023/11. Daarmee wordt dus opnieuw een poging gedaan om stichtingen en verenigingen te belemmeren tegen de staat te procederen. De VVD ondersteunde die motie; onthutsend!
    De techniek van geitenpaadjes en de oproep een list te verzinnen om wettelijke voorschriften te ontlopen, hebben een vaste plaats gekregen in ons bestuurlijk taal-idioom.
    De dominantie van de overheid brengt het evenwicht in de trias ernstig in gevaar.
  1. De rechterlijke macht
    De Raad voor de rechtspraak is belast met de organisatie van de rechterlijke macht en is als zodanig het aanspreekpunt voor de minister van Rechtsbescherming. De benoeming van de leden in de Raad voor de rechtspraak geschiedt op het voorstel van de minister, gericht aan de ministerraad die het voorstel doorgaans overneemt waarop de koning benoemt. Door deze situatie vormt de onafhankelijkheid een punt van zorg bij het parlement.
    De benoeming van rechters gebeurt op verzoek van de betreffende rechtbank door de koning.
    Op de rechterlijke macht is stapsgewijs steeds meer bezuinigd, o.a. door herindeling en samenvoeging van arrondissementen. Een slecht opgezet  automatiseringssysteem kostte veel tijd en geld maar bracht uiteindelijk niet de gewenste omvang van versnelling van het werk, maar de bezuiniging werd gehandhaafd.
    Onder invloed van de neoliberale doctrine werd door de kabinetten-Rutte geoordeeld dat in de toekomst minder rechters en officieren van justitie nodig zouden zijn en werd bezuinigd op de betreffende opleidingen. Het gevolg is dat er nu te weinig rechters en officieren van justitie zijn. De rechters klagen over een te grote werkdruk en vinden dat de kwaliteit van hun uitspraken door tijdgebrek niet voldoet aan de eisen die zij daar zelf aan stellen.
    Zij hebben aangekondigd collectief in een kortdurende staking te gaan als de minister hun eisen ter verbetering van hun arbeidsomstandigheden niet inwilligt. Inmiddels is een compromis bereikt, mei 2023.
    De rol van de rechterlijke macht is door het Toeslagenschandaal in het centrum van de belangstelling gekomen. De schrijnende gevallen van onrecht werden beoordeeld vanuit een misplaatst vooroordeel van fraude. Deze attitude vond haar oorzaak in de hoax die ontstond door de “Bulgarenfraude” die het land en de Kamer in haar greep hield. Een misinterpretatie van artikel 26 van de Invorderingswet leidde tot onrechtmatige terugvorderingen.
    De afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft aangegeven haar misstappen te betreuren en heeft haar welgemeende excuses aangeboden.
    De parlementaire enquête die thans wordt overwogen met betrekking tot het Toeslagenschandaal zou dit jaar worden afgerond; het rapport wordt in de loop van dit jaar (2023)
    verwacht. Het schadeherstel heeft inmiddels de som van zeven miljard euro bereikt.
    Inmiddels blijkt nu (juli 2023) dat er grote aarzelingen in de Kamer zijn ontstaan over het instellen van deze enquête.
    Hiermee begeeft de Kamer zich op glad ijs. Als dit ultieme controlemiddel ongebruikt zou blijven is de regering geheel vrij in haar handel en wandel en staat de deur open naar de vorming van een autocratie.
       De Kamer is in haar onderlinge strijd en verwarring “buiten constitutionele kennis” geraakt. Dat klemt temeer nu ten minste zestien Kamerleden de Kamer verlaten en een aanzienlijk aantal zal worden vervangen door de uitslag van de verkiezingen in november.
  1. De rol van de Tweede Kamer
    De Tweede Kamer is, na de rechterlijke macht, het tweede zwakke onderdeel in de trias politica. De Kamer heeft onvoldoende kennis om tegenwicht te bieden aan de ministeries. De eigen wetenschappelijke instituties van de partijen, en de Vaste Kamercommissie voor digitale zaken, hebben de fouten in de gebruikte algoritmen van de uitvoeringsbesluiten van de kindertoeslagenwet niet opgemerkt. Hun aandeel in het kennisniveau van de Kamer als zodanig, kan niet als betekenisvol worden aangemerkt. Daarnaast gaat de aandacht van sprekers in de Kamer meer uit naar de waan van de dag dan naar het algemeen belang waarop de Kamer het regeringsbeleid moet toetsen.
    De politieke partijen geven al lange tijd meer aandacht aan hun eigen positie ten opzichte van de andere partijen dan aan de thans dringende noodzaak tot het stellen van prioriteiten voor het oplossen van de huidige problemen.
    Dat uitstel is logischerwijs het gevolg van het onvermogen om de knellende problemen in hun juiste proportie te onderkennen en te adresseren. En dat onvermogen komt door het gebrek aan kennis van de problemen en het gebrek aan inzet om die kennis op tafel te brengen. Dat doorschuiven geen oplossing geeft wordt duidelijker en ook pijnlijker. 
    De kamer zal zich nu moeten voorzien van een eigen denktank om te weten waar het in essentie om gaat en om te bepalen welk beleid geboden is. Herman Tjeenk Willink en de onderzoeker Reijer Passchier hebben hier al eerder positief over gepubliceerd.
                       

                      4. DE ‘NEDERLANDSE TOP’

   De eerder beschreven neoliberale opvattingen eisten bezuinigingen waarbij werd voorbijgegaan aan het voorspelbare gevolg van erosie van de democratische instituties. De diverse affaires en schandalen, zoals het Toeslagenschandaal en nu ook het Groningse gaswinningschandaal konden mede daardoor ontstaan. De situatie heeft zodanige spanningen opgeroepen dat overleg op hoog niveau nodig werd gevonden: het eerder genoemde overleg van de ‘Nederlandse Top’. Dit Topoverleg mag uniek genoemd worden en wordt hier nader bekeken.
   Ambtenaar, durf je uit te spreken tegen bestuurders
 De NRC, Opinie 20 januari 2023 publiceerde onder deze titel de bijdrage van Thijs Jansen, directeur van de Stichting Beroepseer en verbonden aan Centrum Èthos in Amsterdam. Hij meldt dat in het Topoverleg werd besloten dat de vakkennis van de departementen niet meer alleen ter beschikking van de minister zou staan, maar ook gebruikt moet kunnen worden door o.a. volksvertegenwoordigers en de burgerij. Ook uitvoerende ambtenaren moeten in die kennis kunnen delen.
   De Toeslagenaffaire heeft tot het inzicht geleid dat de geloofwaardigheid van de overheid wordt bepaald door de kwaliteit van de uitvoering van wetten, aldus Thijs Jansen. Hij wijst echter op de spanningen die deze nieuwe openheid teweeg zullen brengen.           Ambtenaren moeten zich namelijk steviger gaan opstellen jegens bestuurders, “als dat van belang is voor vertrouwen in en het gezag van de overheid.” Jansen stipt verder aan dat de burgerij belang heeft bij informatievoorziening omdat zij belasting betaalt.
De volksvertegenwoordiging heeft uiteraard recht op ambtelijk vakmanschap. Maar de Kamer gebruikt haar tijd om te reageren op incidenten in plaats van te controleren op het beleid. Dit komt niet alleen door het gebrek aan goede ambtelijke ondersteuning en informatievoorziening, maar ook door een gebrek aan focus op het landsbelang. Dat laatste blijkt uit de voorliefde van Kamerleden om voor de bühne te excelleren met betogen over de waan van de dag.       De Kamer krijgt op haar verzoek ook voorbereidende ambtelijke stukken te zien, zo luidt één van de besluiten van de Top.
Dat betekent een aanzienlijke verzwaring van de taak van de Kamerleden, die toch al klagen over tijdgebrek en overbelasting, en dit besluit veroorzaakt dus spanningen.  
Het kabinet heeft dertig miljoen geïnvesteerd in ambtelijk vakmanschap en de volgende programma’s zijn opgezet: ‘Ambtelijk vakmanschap’, ‘Grenzeloos samenwerken’, ‘Dialoog en ethiek’, ‘Werk aan uitvoering’ en ‘Loyale tegenspraak’.
   Het doel is bestuur en ambtenaren beter te laten samenwerken om zo de burgerij beter te kunnen bedienen, zulks teneinde het tij van het geschonden vertrouwen in politiek en overheid te keren. In het laatstgenoemde programma wordt onderzocht “hoe de ruimte voor loyale tegenspraak binnen de Rijksoverheid kan worden vergroot, zodat de oprechte stem makkelijker geuit en beter gehoord kan worden”. Er moet meer ruimte komen voor de ambtenaar om de rol van civil servant goed te kunnen vervullen.
Daarvoor moet hem veel meer professionele verantwoordelijkheid en ruimte toegekend worden. Alleen zo kunnen ambtenaren zorgen dat burgers rechtvaardig behandeld worden en dat uitvoerbaar beleid wordt gemaakt.
Tot zover mijn korte weergave van enkele hoofdzaken in het artikel van Thijs Jansen.

   Ik moet hierbij opmerken dat kennelijk het inzicht is doorgebroken dat AI in de uitvoering van de toeslagenwetten tot ontstellende fouten heeft geleid, en dat de indruk wordt gewekt dat burgers niet meer door algoritmen moeten worden behandeld maar door ambtenaren in persoon.
   Reijer Passchier merkt in zijn studie hierover op dat in deze preferabele uitvoering de kosten van de ambtenarij wel met een factor negen zullen worden verhoogd.
Hij acht deze stap dan ook onwaarschijnlijk; en daarmee treft deze onwaarschijnlijkheid ook de uitvoerbaarheid van een deel van de plannen van het Topoverleg.

Politieke profilering van bewindslieden doorkruist de advisering    
In de Volkskrant, Opinie 23 januari 2023, deed oud-voorzitter van de Tweede Kamer, Frans Weisglas, verslag onder de titel: “Profileringsdrang leidt tot verziekte verhoudingen politici en ambtenaren”.
Weisglas wijst in dit verband op een aantal politieke en parlementaire misstanden die zich in toenemende mate voordoen. Samengevat:
1. “Tegenwoordig hebben alle ministers en staatssecretarissen een of meer door hun partij aangestelde politieke assistenten vrijwel permanent aan hun zijde”. 
Daarnaast worden topambtenaren bij het geven van adviezen aan de minister  ‘geassisteerd’ door politiek adviseurs in die zin dat de inhoud van het advies de minister niet in verlegenheid mag brengen als het advies vroeg of laat in de openbaarheid zou komen. Dit legt echter beperkingen op aan de objectieve en inhoudelijke kwaliteit van de advisering.
2. Van die ambtenaren wordt voorts door politici in toenemende mate verlangd om een bijdrage te leveren aan hun politieke profilering en imago.
3. Alle topambtenaren nemen hun plaats bij de departementen slechts voor een beperkte tijd in. Ongeveer iedere vier jaar regelt de ABD (Algemene Bestuursdienst) hun verplaatsing naar een ander departement. Deze ambtenaren worden volleerde managers in plaats van dragers van kennis die in een bepaald departement zou thuishoren. De kennis en ervaring die in een departement onmisbaar zijn voor een goede beleidsvoering is door deze regeling verdwenen. Hierdoor is ook de mogelijkheid verdwenen om inhoudelijk weerwerk te bieden tegen de wensen van bewindslieden die door politieke motieven zijn ingegeven.
4. Ambtenaren worden regelmatig genoemd en bekritiseerd tijdens debatten in de Tweede Kamer; zij zijn daarbij niet als spreker aanwezig en kunnen zich hier niet tegen verweren. Deze ontwikkeling roept terecht veel wrevel op bij ambtenaren. 
    Weisglas stelt dat het verminderen van de spanningen, en wellicht ook het mogelijk maken van oplossingen, allereerst een andere houding van de politiek vereist, de Tweede Kamer voorop: minder korte termijn politiek en profilering, meer focus op inhoud, lange termijn en uitvoering van beleid. En, géén kritiek op ambtenaren in Kamerdebatten, voorts minder politieke assistenten, voorlichters en spindoctors.
   De invloed van de politieke partijen op de ministers en ambtenaren is door deze lieden te groot. De nodige transparantie naar burgers en media mag de inhoudelijke advisering door ambtenaren niet beïnvloeden. Dat vraagt om sterke, ervaren, inhoudelijk deskundige topambtenaren.
Het rouleringssysteem van de ABD is daarbij een belemmering. Verandering van dat systeem moet een doel van de regering zijn, zodat de ervaring en kennis van deze topambtenaren langer in het departement aanwezig zijn en – langer gerijpt-  van meer nut zullen zijn.

Gemanipuleerde werkelijkheid
   Uit  deze laatste opsomming van feiten blijkt dat een beleidsvoorstel van een departement twee keer door politici wordt beoordeeld en aangepast alvorens de bewindspersoon ermee in het parlement verschijnt. Deze buitenparlementaire ‘voorbehandeling’ slijpt doorgaans de scherpe kanten af en voegt rustgevende bespiegelingen en bredere marges toe.
De bedoeling hiervan is om de bewindspersoon “uit de wind te houden” als het advies ooit in de Kamer aan de orde zou komen.           Door deze voorbehandeling kan de minister het oorspronkelijke voorstel van het departement qua karakter en impact zodanig veranderen dat het niet meer strookt met het oorspronkelijke plan, waardoor aanvaarding mogelijkerwijs een ongewenste uitwerking heeft.
Door de ontstane onscherpte van het voorstel is het ook moeilijk om de mate van uitvoerbaarheid te toetsen. De bewindspersoon zal verzwegen aspecten van de problematiek in de parlementaire behandeling pas na indringend doorvragen blootgeven. Maar hoe kan een Kamerlid indringend doorvragen als de problematiek hem niet of nauwelijks bekend is? Wat weet een Kamerlid bijvoorbeeld van de werking van artificiële intelligentie?
(Het Toeslagenschandaal kon mede daardoor ontstaan).

Wat heeft het Topoverleg gebracht?  
   Een van de voortbrengselen is het plan om de kennis van de departementen ook toegankelijk te maken voor de burgerij en de parlementsleden. Daartoe zijn gespreksgroepjes ingericht. Van de vijf ingestelde gespreksgroepen noem ik: “Grenzeloos samenwerken” en “Loyale tegenspraak” die voor burgers en parlementsleden zullen zijn bedoeld.
   De gewenste samenwerking leidt, zoals te verwachten, tot spanningen en competentievragen. De schrijvers Jansen en Weisglas waarschuwen dan ook voor de spanningen die de beoogde samenwerking zullen oproepen. Ingeslepen patronen moeten worden vervangen door andere verhoudingen in de samenwerking. 
   In de eerste plaats zal de coalitie haar dominante positie moeten opgeven en informatie moeten delen die de Tweede Kamer in staat moet stellen op basis van de ontvangen informatie haar invloed op wetgeving aan te wenden en haar controle op de uitvoering gestalte te geven. 
   Departementsambtenaren krijgen het drukker met het bepalen en verstrekken van uniforme informatie aan de Kamerleden.
   De Kamerleden zullen zich met de verkregen informatie vertrouwd moeten maken om hun standpunten ten aanzien van de wets- en beleidsvoorstellen te bepalen. Dat zal met de huidige en te verwachten complexe problematieken geen sinecure zijn.

Hoe gaat dat werken?
   Worden alle partijen inderdaad op uniforme wijze bediend, zonder enig onderscheid bijv. ten aanzien van partijen die duidelijk hebben gemaakt geen aanhanger van de democratie te zijn?
Of partijen waar vermoedelijk lieden zijn binnengeslopen met contraire belangen die gevaar op kunnen leveren voor de landsveiligheid?     
    De Kamerleden blijven krachtens artikel 68 van de Grondwet het recht op informatie houden. Hoe verhoudt zich hiermee de gedachte van de informatieverschaffing in de bedoelde gespreksgroepen?
   Het is m.i. overigens een illusie om te denken dat de politieke partijen de ingestelde gespreksgroepen inderdaad zullen gebruiken voor de kennis die ze nodig hebben voor het overleg in de Kamer.
Die kennis krijgt immers pas betekenis in de context van het debat en dat debat kan, en mag, alleen in de Tweede Kamer gevoerd worden.

Kennisbalans in het overleg met de Vaste Kamercommissie
   Tot dusver pleegt de minister in dit overleg te worden vergezeld van de betreffende departementsambtenaar die tot taak heeft de minister in het discours aan de nodige details te helpen, maar die niet actief aan het overleg deelneemt.
    Maar uit het Topoverleg mag worden begrepen dat de ambtenaar zijn kennis nu mag delen met Kamerleden en dus aan het discours zal mogen deelnemen. Dat kan veel uitmaken omdat de praktisch/wetenschappelijke kennis van de topambtenaar niet altijd strookt met de politieke agenda van de minister. (zie Bijlage 2017 van Tjeenk Willink)

   Het overleg van de minister met de Vaste Kamercommissie komt er nu geheel anders uit te zien omdat de Kamercommissie zich zal laten bijstaan door de deskundige uit de denktank.
In plaats van twee deelnemers zijn het nu vier deelnemers aan het overleg, waarvan er twee zijn met een specialistische kennis van het onderwerp.
   We krijgen een heel ander soort overleg te zien als de discussie zich dan tussen de deskundigen van beide zijden ontwikkelt, met de minister en de Kamerleden van de commissie in zekere zin als toehoorders.
Zij kunnen uiteraard hun vragen en visies aan hen voorleggen, maar de deskundigen toetsen het wetsontwerp uiteindelijk op zijn werkelijkheidsgehalte, zulks vanuit hun taak en overtuiging dat het land behoed moet worden voor nieuwe parlementaire enquêtes.              Zou de minister het debat willen beperken uit hoofde van het landsbelang, dan zal ook dat argument door de deskundigen beoordeeld kunnen worden.

   Het ligt voor de hand dat deze vergadering wordt gefilmd en in het plenaire debat in de Tweede Kamer zal worden vertoond. Ongetwijfeld zal deze gang van zaken in hoge mate bijdragen aan de diepgang en de kwaliteit van het debat, en aan het vertrouwen van de burgerij in de politiek en de overheid.
Bovendien zullen er details aan de orde komen die de rechter zullen helpen bij de vraag wat de bedoeling van de wet is, als het onderwerp in een rechtsgeding op tafel zou komen.

   Het is spijtig dat deze praktische aanpak van de omgang met kennis niet tot de denkkaders van het Topoverleg blijkt te behoren. Het Topoverleg heeft het slechts over ‘praatgroepjes’ en niet over het overleg in de Vaste Kamercommissies.
Maar dat komt door de afwezigheid van het praktische inzicht dat een evenwichtige samenwerking met de overheid niet lukt indien de Kamer een deskundigheid ontbeert die gelijke tred houdt met die van de ministeries.
Dit principiële manco van de Kamer kan worden verholpen door de de instelling van een denktank. Het behoort tot de fundamentele taak van de volksvertegenwoordiging om de instituties van de democratie op orde te houden en daarmee ook het evenwicht in de trias politica.

                5.   DE KREUPELE KAMER   
Gebrekkig Kameroptreden veroorzaakt schandalen.

Er zijn twee schrijnende voorvallen: het Toeslagenschandaal en het Groningse gaswinningschandaal, die duidelijk maken dat de verwachting over de inzet van de Kamer om kennis te vergaren niet al te hooggespannen mag zijn, tenzij de werkwijze binnen de Kamer cruciaal wordt veranderd.

1. Het Toeslagenschandaal
Reeds in 2017 begreep de Tweede Kamer dat de toepassing van artificiële intelligentie (AI) bij het maken van wetten (en uitvoeringsbesluiten) een goede controle noodzakelijk maakt.  Zij vroeg aan de regering om telkens aan te geven waar en hoe de overheid in haar wetgeving algoritmen gebruikt. Na overwonnen bezwaren bepaalde de minister dat een bestuursorgaan verplicht is zorg te dragen voor de inzichtelijkheid en controleerbaarheid van de in een besluit gebruikte algoritmen gemaakte keuzes, gedane aannames en gebruikte gegevens.
Deze verplichting stelde de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State al eerder in 2017 om bij inzet van AI:  “gemaakte keuzes, en de gebruikte gegevens en aannames volledig, tijdig en uit eigen beweging openbaar te maken op een passende wijze zodat deze keuzes, gegevens en aannames voor derden toegankelijk zijn”.
   De Kamer heeft de noodzaak tot specifieke toetsing van “AI-wetten” destijds dus ingezien, maar heeft bij de behandeling van de kindertoeslagenwet niet de moeite genomen om de openbaarmaking van het gebruikte AI-instrumentarium te eisen om die te (laten) onderzoeken. Ook de eigen wetenschappelijke instituties van de politieke partijen, en de Vaste Kamercommissie voor digitale zaken,  moesten op de hoogte zijn van deze verplichting. En zij hadden daarvan gebruik moeten maken om hun controlewerk goed uit te voeren.
Deze omineuze desinteresse van de Kamer en haar instituties kan niet anders worden gezien dan als een begripsvernauwing die de Kamer als zodanig ongeschikt maakt om haar institutionele functie als medewetgever en controleur van de overheid betekenisvol te vervullen. Daarmee is ook duidelijk geworden dat de Kamer niet in staat blijkt te zijn om het probleem van haar kennistekort te herkennen en te benoemen, laat staan daar een oplossing voor te zoeken. Deze naïeve achteloosheid en plichtsverzaking heeft tienduizenden mensen en gezinnen aan de bestaans-afgrond gebracht, c.q. daarin doen storten.
   En deze Kamer moet dan die kennis, die door de departementen nu beschikbaar wordt gesteld,  beoordelen en gebruiken bij haar constitutionele taken?
   Is zij überhaupt wel in staat om met haar huidige instelling de nodige beoordeling uit te voeren?
   Het Toeslagenschandaal is o.a. ontstaan door een gebrek aan controle op het gebruik van AI. Dat Kamerleden geen AI-deskundigen hoeven te zijn is duidelijk. Maar het is ook duidelijk dat de Kamer verwijtbaar tekort is geschoten door niet een gezamenlijk bureau voor de hele Kamer in te richten dat in de ontbrekende kennis had kunnen voorzien.   
   Een ander probleem komt hier nog bij.
In 2021 werd de Parlementaire enquêtecommissie ingesteld die in de loop van 2023 verslag zal uitbrengen.
Inmiddels, (juli 2023) is duidelijk geworden dat de animo tot het instellen van die enquête is verdampt.
Let wel: als de Kamer niet meer controleert staat de deur open naar een autocratie!

  2. Het Groningse gaswinningschandaal
    De NRC van 25 februari geeft een summier overzicht van de uitkomsten van de Groningse Gas Enquête. Het is onthutsend om te lezen dat er zich belangenverstrengeling tussen ‘het grootkapitaal’ en ‘bestuur’ heeft ontwikkeld en dat topambtenaren tevens in bestuurlijke kringen zitten van de onderneming die de wederpartij is in de gaswinning.
   Duidelijker kan de bestaande belangenverstrengeling niet aan het licht komen. De Kamer werd dom gehouden en premier Rutte wist dat en deed niks. En voor zover de Kamer meer had willen weten werd die weg afgesloten door de dominantie van de coalitie.
    Premier Rutte bagatelliseerde de problemen zoals gewoonlijk en schoof vragen en problemen door naar de Kamer, die hij vervolgens de mond snoerde.
Een sinistere opzet en ‘geslaagde’ uitvoering.
   Dit is een duidelijk signaal dat de Kamer niet is opgewassen tegen de verstrengelde macht van ‘het grootkapitaal’ en ‘politiek/bestuur’, en dat we op weg zijn naar een autocratie met nefaste bindingen met het grootkapitaal, de gas – en oliemagnaten in casu.
   De dominantie van de overheid kan alleen ingeperkt worden door een Tweede Kamer die de beschikking heeft over een eigen denktank die de mensen en instrumenten heeft om tot diep in de politieke en bestuurlijke verhoudingen door te dringen.
    Deze twee schandalen hebben de systemische kennisafscherming die op alle niveaus bestaat aan het licht gebracht.
   Maar in de beschouwingen van het Topoverleg is kennelijk geen aandacht geweest voor het aspect van het evenwicht van de trias politica, het kennismanco van de Kamer en haar reeds lang mankerende optreden. Zou dit wel aan de orde geweest zijn, dan zou de bedoelde  kennisoverdracht niet in praatgroepjes zijn ondergebracht maar op de plaats waar dat behoort, namelijk in het overleg met de Vaste Kamercommissie.
Het belang van evenwicht in de trias politica is in de hoogste regionen nog niet doorgedrongen.

3. De Kamer is aan zet
   De noodzaak van het bestaan van evenwicht in de trias is ook geen levend inzicht binnen de Kamer. Dit gebrek is mede oorzaak van haar geringe mate van toewijding aan haar institutioneel optreden. De Kamer moet nu gaan inzien dat het niveau waarop zij tot op heden heeft gefunctioneerd ten enenmale onvoldoende is om de nodige tegenmacht jegens de overheid te leveren.  
Het Topoverleg kan daar uiteraard weinig aan veranderen, het ligt, zoals eerder gesteld,  alléén bij de Kamer om haar positie in de trias te versterken o.a. door een eigen denktank in te stellen.
De benarrende conclusie moet zijn:
De dominantie van de overheid duurt voort zolang de Kamer institutionele wanprestatie pleegt door haar kennispotentieel niet in evenwicht te brengen met dat van de ministeries, en de deur daarmee openhoudt voor de ontwikkeling van een autocratie in ons land.

  1. DE KAMER MOET VERSTERKT WORDEN
    De verkiezingsuitslag; problematische machtsverhoudingen

   Zoals Tjeenk Willink al opmerkte moet de Kamer versterkt worden. Ook Passchier komt in zijn genoemde onderzoek tot die conclusie en stelt dat de Tweede Kamer daarvoor een eigen wetenschappelijk bureau/denktank nodig heeft. De argumenten die toen door hen werden gebruikt worden nu zeer actueel door de problematische machtsverhoudingen die zijn ontstaan. De kans is namelijk niet ondenkbaar dat op enig moment de vorming van een minderheidskabinet moet worden overwogen.
   Dit oude schrikbeeld verbleekt als we bedenken dat in dat geval het kabinet veel steun kan ondervinden van een Kamer die goed geëquipeerd is om beleidsvoorstellen op hun kwaliteit te beoordelen, en ook om zelf voorstellen op tafel te brengen. Daarvoor is echter wel een behoorlijk kennisevenwicht tussen kabinet en Kamer vereist.
   De Kamer krijgt nu weliswaar in principe alle nodige informatie van de ministeries , dankzij de beëindiging van het kennismonopolie, maar de sortering en de verwerking daarvan vereisen een kennisniveau en inzet die, zoals gebleken is, thans niet in de Kamer aanwezig is. Dat leidt onvermijdelijk, en door de huidige onzekerheden, tot de conclusie dat de Kamer nu de hulp van een eigen denktank nodig heeft.
   Dat zal de benodigde gegevens opvragen, selecteren, controleren en valideren en zo nodig aanvullen. De denktank kan op grond daarvan de diverse keuzemogelijkheden formuleren waarop de Kamer een gefundeerd oordeel kan vormen. Met dat oordeel kan de Kamer op evenwichtige en constructieve wijze, beter dan voorheen, het debat met het kabinet voeren.

   Het idee van de noodzaak van een Kamermeerderheid heeft daarmee zijn geldigheid verloren.
   Regeren met een minderheidskabinet biedt de voordelen van de betrekkelijke eenvoud bij de formatie en het afzwakken van polarisatietendensen binnen de samenleving. Voorwaarde is echter, zoals betoogd, dat de regering met een volwaardige medewetgever te maken krijgt.
   Het is evident dat een sterke Kamer ook nodig is om een regering met Kamermeerderheid binnen de grenzen van de ‘veilige corridor’ te houden. Het zal nu dus aankomen op de integere uitwerking van de beëindiging van het kennismonopolie en de daaruit voortvloeiende kennisdeling waartoe het Topoverleg heeft besloten.      Dit besluit is van principieel belang voor de beoogde werkwijze van de denktank. De Tweede Kamer wordt aldus in staat gesteld om met behulp van een eigen denktank haar rol in de trias politica betekenisvol te vervullen.
Haar taak zal daardoor winnen aan relevantie, gewicht en waardering, en tevens interessanter en zwaarder worden

  1. CONCLUSIES EN REMEDIES

   De geschetste ontwikkelingen duiden op een zich sluipenderwijs ontwikkelende autocratie. Deze ontwikkeling moet worden gestuit; versterking van de Tweede Kamer is nodig. Met de instelling van een eigen denktank komt haar kennisniveau in evenwicht met dat van de ministeries waardoor de Kamer de plannen van de minister en de kennis van de departementen deugdelijk kan toetsen en evalueren. De bestaande problemen maken een snelle besluitvorming hierover imperatief.
   Een kabinet kan ook zonder Kamermeerderheid goed regeren indien de Kamer met voldragen voorstellen en replieken aan de besluitvorming kan deelnemen. In deze optie wordt een kabinetsformatie minder complex en kan sneller tot stand komen.       Zonder de besproken aanpassingen is herstel van het evenwicht van de trias politica niet mogelijk en evenmin het herstel van het vertrouwen van de bevolking in de politiek en het bestuur.

De  denktank
   De leden van dit instituut worden door loting aangewezen om belangenverstrengelingen en andere ongewenste beïnvloedingen te voorkomen. Deze loting dient te geschieden uit een groep van deskundigen die een afspiegeling vormt van de brede samenstelling van wetenschappelijke deskundigheid in het land. Hierbij zou onder meer gedacht kunnen worden aan leden van de Hoge Colleges van Staat en aan die van andere adviesorganen.
De leden van de denktank moeten worden afgeschermd tegen ongevraagde politieke –  en andere adviseurs en lobbyisten.

Voorwaarden   
   Acemoglu & Robinson wijzen erop dat de middelen die de volksvertegenwoordiging van de overheid krijgt aangereikt om haar functies te vervullen, in principe moeten worden gewantrouwd. Zij komen dan immers van de bron die gecontroleerd moet worden.
Deze middelen moeten derhalve vrij zijn van voorwaarden en beperkingen, welke dan ook.
   Wil een stabiele verhouding tussen overheid en volksvertegenwoordiging bestaan, dan zal zij haar eigen denktank zelf moeten inrichten en de voorwaarden moeten stellen die een garantie kunnen betekenen voor de stabiliteit van haar functioneren.       Dat zijn ongewone stappen die echter noodzakelijk zijn in deze tijd met de oprukkende invloed van zeer kapitaalkrachtige actoren (Big Tech, olie en gas e.d.) die de hele samenleving in wezen bepalen. 
     Naïviteit en onkunde bij politiek en bestuur leiden tot gebrek aan doeltreffende wetgeving, verwarring en een toenemend wantrouwen van de burgerij jegens de overheid.
We zien dat in andere landen dit soort ontwikkelingen leidt tot een toename van het populisme dat zich verder ontwikkelt en zich in stand houdt met een surveillancemaatschappij en een criminele dictatuur.

Zwolle, 7 april 2023, bijgewerkt 20 juni en 20 augustus 2023.
N.B. Dit essay is zonder hulp van Chat GPT geschreven.

 

 

 

 

 

Een reactie achterlaten

Je e-mailadres zal niet getoond worden. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *